20. Social Norms Approach

Auteur: Wesley Jongen.

Datum: 17-6-2019.

Het was tijdens een conferentie van euPrevent toen ik voor het eerst over de ‘social norms approach’ hoorde, een aanpak in de preventieve gezondheidszorg waarbij positieve boodschappen (gebaseerd op de daadwerkelijke sociale normen uit de omgeving) worden gebruikt om ongezonde misvattingen te corrigeren, met als doel het stimuleren van een gezonde leefstijl. Ik benaderde Hans Dupont, projectleider van het Social Norms Approach (SNA) project van euPrevent, voor een verdiepend gesprek. Het SNA project wordt gefinancierd met zogenaamde Interreg gelden, vanuit de EU. Naast zijn rol als projectleider is Dupont specialismeleider preventie bij Mondriaan en landelijk coördinator voor de samenwerking tussen verslavingspreventie afdelingen (Verslavingskunde Nederland).

Hoe brengt uw project de ‘social norms approach’ in de praktijk?

“Daarvoor moeten we eerst even terug naar wat een social norms aanpak inhoudt. Als je bijvoorbeeld kijkt naar het gebruik van alcohol, drugs en medicijnen, dan zijn mensen geneigd om het gebruik van hun ‘peers’ in hun hoofd te overdrijven. Je denkt bijvoorbeeld: ‘10 pils is vast wel normaal voor iemand als ik’.” In werkelijkheid blijkt de feitelijke norm vaak lager te zijn dan mensen denken. “Wat we in feite doen in onze voorlichtingsboodschappen is gebruik maken van een objectieve norm om een subjectieve norm bij te stellen.” Binnen het project wordt daarvoor eerst in kaart gebracht wat, en hoeveel, er nu eigenlijk allemaal wordt gebruikt in de Euregio. Vervolgens kan deze informatie worden omgebogen naar een voorlichtingsboodschap, in de geest van ‘weet je wel dat jouw leeftijdsgenoten maar zoveel drinken tijdens een avondje stappen?’. “Psychologisch gebeuren er dan twee dingen: in de eerste plaats voelen mensen zich schuldig als ze boven de norm zitten, want iedereen wil toch wel redelijk aan een norm voldoen. Als je dat goed doet, en dat is het tweede punt, blijkt dit gegeven ook invloed te hebben op het gedrag van mensen. Een voorbeeld dat Dupont aanhaalt is dat van de fles wijn tijdens een intiem dinertje met je partner. We zijn opgegroeid met een houding waarin verspilling als onwenselijk wordt beschouwd, en dus gaat de fles vaak leeg. Maar je zou bijvoorbeeld in voorlichtingsboodschappen kunnen inzetten op het aanbieden van kleinere flessen, wat je tegenwoordig dan ook steeds vaker terugziet in de winkel.

Waarin ligt de meerwaarde om dit project op Euregionale schaal uit te voeren?

“Eigenlijk is het zo dat we al dik 15 jaar samenwerken in de Euregio, maar waar je vaak tegenaan loopt is dat de regelgeving tussen landen net iets anders is. Het leuke van de sociale norm is dat je qua sociale normen wél kunt zeggen dat we een bepaalde gemeenschappelijkheid delen, allen in de periferie van ons eigen land, maar ook vanwege bijvoorbeeld de carnavalstraditie en de bourgondische leefstijl.” Maar tegelijkertijd benadrukt Dupont dat ook al delen we de problematiek, er zullen altijd nuanceverschillen in de voorlichtingsboodschappen nodig zijn. Eén poster voor de hele Euregio zou dan ook niet werken en een filmpje met Vlaamssprekende pubers zou wellicht bij Nederlandse pubers hoongelach kunnen ontlokken vanwege het Vlaamse accent (en vice versa natuurlijk). Naast een gedeelde problematiek schuilt het voordeel van het Euregionale samenwerken ook in het leren van elkaar, niet alleen qua inhoud, maar ook puur in de zin van ‘hoe pak je de dingen aan’. Ook puur logistiek zijn er, tenslotte, voordelen: “ik ben sneller langs geweest bij een collega vlak over de grens dan bij een collega in Groningen”.

Hoe betrekt u de doelgroepen bij het project?

“We zitten natuurlijk nog een beetje in de beginfase van het project, maar we hebben in ieder geval twee hoofddoelgroepen: jongeren en 55+’ers. We zijn nu bezig met het samenstellen van een adviesraad. Aan de ene kant zitten daar wetenschappers en bestuurders is, maar daarnaast vragen we hier ook heel bewust mensen uit de directe doelgroep voor. Vooral op het moment dat we de boodschap echt gaan uitdragen, zullen we daar de doelgroep heel goed bij moeten betrekken, om te zien wat wel en wat niet werkt. De Vlaamse jeugd moet je bijvoorbeeld heel anders benaderen dan de Nederlandse of de Duitse jeugd.” Dupont doelt hiermee niet enkel op het eerdere voorbeeld van de accentverschillen, maar ook op cultuurverschillen ten aanzien van hoe mensen aangesproken willen worden. “Er was eens een campagne tegen overmatig alcoholgebruik in Vlaanderen, met als slogan, ‘Verdrink je toekomst niet’. Dan zie je iemand in een fles verdrinken. Ik denk dat dit hier niet zou werken. In Nederland zijn we naar mijn gevoel toch net iets minder directief ingesteld en wordt er juist meer belang gehecht aan de eigen keuze.” Hier moet in voorlichtingscampagnes dan ook optimaal op ingespeeld worden.

Is de aanpak binnen het project uniek in de drie landen of bestaan er reeds andere goede voorbeelden?

“Zeer sporadisch. Wat ik wel merk is dat de Nederlandse regering zeer sterk geïnteresseerd is in wat wij hier aan het doen zijn en daar wellicht ook meer mee wil gaan doen elders in het land. Nu lopen we in ieder geval leuk voor de troepen uit en krijgen daar vrij veel aandacht voor. Natuurlijk hopen we dat ons project bredere navolging zal krijgen.” In Vlaanderen is prof. Guido van Hal aan de Universiteit van Antwerpen vrij actief op dit gebied, maar concrete voorbeelden uit Duitsland kent Dupont niet. “Ik denk wel dat dit internationaal gezien iets is dat in de lift zit”, vervolgt Dupont. “De komende jaren verwacht ik dan ook dat er meer projecten op dit gebied gaan ontstaan, vooral ook op wetenschappelijk gebied, daarmee dus nog meer toewerkend naar ‘evidence-based’ methodes.”

Welke resultaten hoopt u over een jaar bereikt te hebben?

“We hopen in ieder geval de dataverzameling goed op orde te hebben.” Op dit moment zijn er bijvoorbeeld nog enkele hiaten in het vergelijkbaar maken van bestaande epidemiologische data: het ene land meet bijvoorbeeld niet exact hetzelfde als het andere land en ook de kwaliteit van de data verschilt meer dan eens. Resultaat is dan ook dat er vanuit het project naast bestaande databronnen ook gebruik gemaakt zal moeten worden van eigen surveys m.b.t. alcohol- en drugsgebruik om deze hiaten op te vullen. Dit behelst enkele belangrijke keuzes. Hoe bereik je bijvoorbeeld de doelgroep ouderen? De doelgroep jongeren is nog redelijk goed te bereiken via scholen, maar dan nog blijft de vraag: hoe groot maak je je onderzoeksgroep, welke schooltypes neem je mee in je onderzoek, etc. “De organisatiestructuur hebben we overigens al goed op orde”, vervolgt Dupont, “al vind ik het wel nog heel belangrijk dat iedere deelnemer sterk op zijn netvlies moet krijgen wat het project inhoudt en zich verantwoordelijk voelt voor het eindresultaat. Maar, concluderend, ik denk dat we al een redelijk goed idee hebben over waar we naartoe willen met onze boodschap. En we hebben het netwerk in zoverre op orde dat we professionals kunnen gaan trainen om deze boodschap over te brengen. Daar zullen we over een jaar dan ook al een heel eind mee zijn.”

Bedankt voor het lezen en mocht u vragen of opmerkingen hebben, aarzel dan niet om ons te contacteren.